Officiële akten van de burgerlijke stand behoren tot de beste bronnen binnen het genealogisch onderzoek. Los van de vermelde familierelaties en personalia bevatten ze vaak ook de handtekening van de onderzochte persoon. Persoonlijk en dus bijna vergelijkbaar met een foto of een citaat. Vooral bij oudere generaties is de handtekening perfect om te achterhalen of de persoon kon schrijven en hoe geoefend hij of zij daarin was.
Dankzij die akten, waarvan de eerste aan het einde van de achttiende eeuw werden opgemaakt, heb ik redelijk goed op een rijtje kunnen zetten wie er binnen mijn stamreeks kon lezen en schrijven en vanaf wanneer mensen dat structureel kregen aangeleerd. In dat verband is natuurlijk op te merken dat het in het algemeen afhing van je beroep, de stand waartoe je familie behoorde en of je man of vrouw was.

Binnen de familie Rutten behoorde mijn oudgrootvader Gerardus Rutten (1794-1847) waarschijnlijk tot de eerste generatie mannen die kon schrijven. Hij ondertekende zijn trouwakte in 1822, al valt uit zijn handtekening op te maken dat hij een minder geoefend schrijver was dan latere generaties. Gerardus’ letters zijn niet zo sierlijk als die van zijn nazaten. Op zich is dat opvallend, omdat Gerardus als gemeenteraadslid wel een belangrijke functie bekleedde.

Handtekening Gerardus Rutten 1794-1847, 1822

Gerardus’ handtekening, 1822

Theodor Rutten, Gerardus’ vader, kon blijkens zijn laatste trouwakte uit 1805 niet schrijven. Dat het per familie verschilde, blijkt duidelijk als we de generaties vergelijken. Johanna Zeelen, de vrouw met wie Gerardus in 1822 trouwde, kon schrijven, net als haar vader Thomas Zeelen; hij was van dezelfde generatie als Theodor. Daartegenover staat dat Johanna’s schoondochters, Anna van Helden en Engelina Alards (respectievelijk de eerste en tweede vrouw van mijn oudvader Hendrik Rutten), weer niet konden schrijven.

In de nog Franstalige trouwakte van Theodor uit 1805 wordt handgeschreven aangegeven dat bruid en bruidegom hebben verklaard niet te kunnen schrijven en daarom niet hebben ondertekend

De handtekening van Thomas Zeelen illustreert goed de mate waarin geoefendheid van het eigen handschrift een rol kan spelen. Zeker als je de familienaam niet kent, is het een aardige opgave om zijn naam uit onderstaande handtekening te destilleren. Het is goed mogelijk dat zijn naam het enige was dat hij kon schrijven en dat lezen hem ook niet noodzakelijkerwijs heel goed afging.

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Na Gerardus konden al mijn mannelijke voorouders in directe lijn lezen en schrijven. De handtekeningen werden ook steeds sierlijker en bijna vergelijkbaar met die van de plaatselijke ambtenaren, juristen en notarissen. Fraai is vooral de ‘krullige’ letter R die blijkbaar van vader op zoon overging, met in het bijzonder die van mijn overgrootvader. Daar ga ik toch eens goed op oefenen.

Handtekening van Hendrik Rutten (1837-1896) in 1860

Oudvader Hendrik Rutten, 1860

Handtekening van Jan Rutten (1866-1941), 1895

Betovergrootvader Jan Rutten, 1895

Handtekening van Ger Rutten (1909-1990), 1934

Overgrootvader Ger Rutten, 1934

Daar waar de mannen tot de negentiende eeuw moesten wachten, konden de vrouwelijke generaties binnen mijn directe familielijn − op Johanna Zeelen na − pas schrijven vanaf Hendrina van Els (1867-1940), die in 1895 trouwde met mijn betovergrootvader Jan Rutten (1866-1941). Zij maakte haar lagere school af en ging daarna aan het werk als dienstmeid.

Ik wijd later nog een apart verhaal aan haar leven en dat van haar broer, Toon van Els.