Stamreeks Rutten

over de lijn die zuidwaarts ging (1595-1995)

Rafaël, van wees tot pater

Wie in Limburg naar de naam van een pater vraagt, krijgt ongetwijfeld meer dan eens die van pater Karel te horen. Maar de bekendste pater die de provincie heeft voortgebracht is zeker niet de enige geestelijke die zijn sporen buiten de landsgrenzen heeft verdiend. In de van oorsprong zo katholieke provincie struinden paters tientallen jaren de wereld af om het evangelie te verspreiden.

Een van hen was pater Rafaël, geboren in 1910 in Horst als Cornil Hendrik Mechtild Zevenhoven. Hij was het derde kind en de tweede zoon in het gezin van Willem Zevenhoven (1868-1920) en Carolina Duijf (1879-1916). Zij kregen naast Cornil nog drie zonen en twee dochters. Vader Willem was schoenmaker van beroep; diens elf jaar jongere vrouw Carolina was ten tijde van hun huwelijk werkzaam als dienstmeid, maar zorgde vanaf de geboorte van de kinderen voor hen en het huishouden.

Jeugd
Cornil had allesbehalve rooskleurige kinderjaren. Hij kwam er als kleine jongen, samen met zijn broertjes en zusjes, al snel alleen voor te staan. Nadat in 1916 eerst zijn moeder stierf, overleden kort daarna zijn 3-jarige broertje Arnold in 1917 en zijn vader in 1920. De overgebleven kinderen werden zo jong wees en waren aangewezen op adoptieouders en andere voogden.

Die laatsten organiseerden in april 1920 de verkoop van de spullen die de kinderen van hun ouders hadden geërfd: het ouderlijk huis, een stuk bouwland en meubelen. Het zou voorlopig de laatste keer zijn dat het gezin als zodanig bij elkaar was: de kinderen werden gescheiden en kwamen op verschillende plekken in het land terecht. Cornils oudste zus Anna woont in 1924 in het naburige Wanssum, zijn jongste zusje Maria vertrekt naar Doetinchem, zijn oudste broer Matthias komt in de Brabantse plaats Maashees terecht en de twee jaar jongere Joep blijft in Horst achter.

Franciscanen
Van Cornil is als enige onbekend waar hij na de dood van zijn vader werd ondergebracht. Tot augustus 1934 studeerde hij vermoedelijk theologie aan het kleinseminarie Rolduc in Kerkrade en reeds op 8 september 1933 trad hij op 23-jarige leeftijd toe tot de orde van franciscanen. Na zijn studie verhuisde hij naar Venray, vanwaar hij in 1936 als franciscaner frater naar Wijchen vertrok.

Hier, in het kerkdorp Alverna, werd tussen 1886 en 1889 een groot franciscanenklooster gebouwd, een gebeurtenis die tevens de stichting van het dorp betekende. Alverna werd immers vernoemd naar La Verna, de berg in Toscane waar Franciscus van Assisi in 1224 zou hebben verbleven. De keuze voor Wijchen is daarmee goed te verklaren.

Op 10 september 1937 ontving Cornil namens mgr. Arnold Diepen, destijds de bisschop van Den Bosch, in de kapel van het klooster de tonsuur: het kaalscheren van de kruin als teken van toewijding aan God en verzaking aan seksualiteit. De dag daarna volgden de vier zogeheten mindere orden. Samen met hem werd een veertigtal andere fraters gewijd. Het was tevens het eerste moment dat we Cornil onder zijn kloosternaam Carolinus tegen zouden komen. Een naam die hij mogelijk koos uit eerbied voor zijn jong overleden moeder Carolina.

Missiepater
Als pater Carolinus vertrok hij aan het einde van diezelfde maand op missie naar Brazilië. In aanloop naar zijn vertrek werd tijdens de missen in zijn geboortedorp Horst een ‘liefdadigheidspredicatie’ gehouden, waarmee driehonderd gulden werd ingezameld. Volgens de Nieuwe Venlosche Courant “weer een schitterend bewijs van de mildadigheid van de parochianen, als ’t geldt, het steunen van de goede zaak”.

Het uiteindelijke afscheid van de elf missiepaters vond plaats op 25 september 1937 in de kerk van Doddendaal in Nijmegen. Acht paters vertrokken naar Brazilië en drie naar Nederlands-Nieuw-Guinea. Na een afscheidspredicatie door de plaatselijke pastoor en vredesgroeten van de aanwezigen stapten de paters in een ‘gereedstaande autobus’. Deze zou hen op weg naar hun missiegebied helpen.

De eerste bestemming van pater Carolinus werd Visconde do Rio Branco, waar hij zich frei Rafaël (broeder Rafaël) ging noemen. Hij kwam terecht in een stadje met ongeveer 35.000 inwoners, gelegen in de deelstaat Minas Gerais, in het zuidoosten van Brazilië. Pater Rafaël zou er iets meer dan twintig jaar verblijven en er onder meer zijn 25-jarig kloosterjubileum vieren. De franciscaner vertegenwoordigers hadden in deze katholieke gebieden een groot aanzien. Tijdens zijn verblijf hier had pater Rafaël onder andere een column in het weekblad A Semana, waarin hij zeer conservatieve denkbeelden niet schuwde. Zo hekelde hij de vrijmetselarij en preekte hij: ‘wie niet bij de Kerk van Jezus hoort, is tegen haar’.

Muzambinho
Vanuit Visconde do Rio Branco verplaatste pater Rafaël zich vanaf het begin van de jaren zestig naar het kleinere plaatsje Muzambinho, verder naar het noordoosten. Daar liet hij een onuitwisbare indruk achter. Daarvoor hoeven we slechts te kijken naar wat er heden ten dage over is van zijn nalatenschap: de grote, centrale weg door het stadje heet de Avenida Frei Rafaël (Broeder Rafaëllaan) en direct na zijn overlijden werd een scholengemeenschap opgericht met zijn naam.

Hoewel de school inmiddels van naam is veranderd, vinden we in de literatuur nog diverse verwijzingen naar frei Rafaël. Een bijzonder voorbeeld is de biografie van de vooraanstaande radio- en televisiepresentator en journalist Milton Neves (met twee miljoen volgers op sociale media), waarin hij terugkrijgt op zijn jeugd in Muzambinho en daarbij frei Rafaël aanhaalt:

“[…] de Nederlandse broeder Rafaël Zevenhoven, Botafogo-fan, [had] een onheilspellend silhouet van bijna 1,90 meter. Onze priester was een visionair, een man die zijn tijd ver vooruit was. Hij voorzag de wijdverbreide corruptie van de burgemeesters en benoemde dit wekelijks vanaf de preekstoel.”

Daarmee zal hij zich ongetwijfeld niet geliefd hebben gemaakt bij de gevestigde orde, maar bij de lokale bevolking des te meer. Net als vele andere franciscanen overigens die in al die jaren de revue zijn gepasseerd in Muzambinho. Onder hen een groot aantal Nederlanders.

Terugkeer naar Nederland
Midden jaren zeventig besloot Rafaël terug te keren naar Limburg om ook hier nog iets voor de mensen te kunnen betekenen. Op dat moment had hij bijna veertig jaar missionariswerk verricht in Brazilië. In Nederland vond hij onderdak bij broeders in Maastricht.

Uiteindelijk bleek zijn terugkeer van korte duur. Op de avond van 11 december 1976 sloeg het noodlot toe. Na een eucharistieviering werd Rafaël ter hoogte van het Dr. Poelsoord aan de Meerssenerweg in Maastricht geschept door een auto. Naar verluidt struikelde de pater bij het oversteken, kon de automobilist niet meer remmen en was een aanrijding onvermijdelijk. Hij overleed dezelfde avond nog op 66-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. Het betekende een uiterst triest einde voor de pater, die veertig jaar in dienst van de mensen had gestaan en wiens leven al even ellendig eindigde als dat het was begonnen.

De woensdag na zijn overlijden werd Rafaël herdacht in de kapel die de franciscanen tot hun beschikking hadden in de Capucijnenstraat in Maastricht. De ochtend daarop vond de uitvaart plaats in de Kerk van Sint-Pieter boven. Daar werd hij, ten noorden van het kerkgebouw, bijgelegd op het gedeelte met de graven van religieuze orden. Tegenwoordig deelt Rafaël er een kruis met Benjamin Henkes, die twee jaar na hem overleed.

Rafaël liet als celibatair geestelijke alleen zijn broers, zussen en religieuze broeders achter. De oudste zus van Rafaël, Anna, trouwde met Joseph Trommar en woonde ten tijde van Rafaëls overlijden in Eindhoven. Zij overleed aldaar in 1990 op 83-jarige leeftijd. Rafaëls jongste zuster Maria trouwde met Ger Rutten en woonde in Heerlen. Zij overleed in 1988 op 74-jarige leeftijd.
De broers van Rafaël trokken net als hij naar het buitenland. Mathias verhuisde in 1930 naar Nederlands-Indië, trouwde daar en kreeg er kinderen, werd er failliet verklaard en stierf er als hoofdopzichter in 1954 op 46-jarige leeftijd. Joep werd schilder, emigreerde met zijn vrouw en kinderen naar Brisbane (Australië) en overleed daar in 1984 op 72-jarige leeftijd. Hij ontbrak in de overlijdensadvertentie van Rafaël in 1976.

De medebroeders van Rafaël hadden reeds in 1970 hun kerk en klooster verkocht. Tijdens Rafaëls verblijf was er nog slechts sprake van een kleine gemeenschap in een pand aan de Capucijnenstraat. De laatste paters vertrokken hier in 1980, waarmee een einde kwam aan acht eeuwen aanwezigheid van de franciscanen in Maastricht.

Het wapen van de familie Rutten, of toch niet? (2)

Na mijn eerste blogpost over het wapen van een familie Rutten kwam ik het familiewapen, zoals dat op canvas in familiebezit is, toch nog elders tegen: in een artikel over de uit Eijsden afkomstige brouwersfamilie Rutten. Het artikel was in 1984 geschreven en het wapen was door de auteur getekend. Na navraag bleek het te zijn gebaseerd op een artikel uit het Familieblad Rutten, dat tussen 1966 en 1999 maar liefst driemaandelijks werd uitgegeven, laatstelijk onder de titel Marutgen. Hoewel die titel schijnbaar veel potentie had voor een artikel over de etymologische oorsprong van mijn familienaam, is het niet meer dan een afkorting van Margraten, Rutten, genealogie.

Ruttelogie
Volgens de rubriek ‘Ruttelogie’ uit aflevering 37 van Marutgen (september 1984) behoort het bovenstaande wapen toe aan Jacob Rutten, tussen 1628 en 1634 als schepen actief van de Belgisch-Limburgse gemeente Kessenich. Die plaats ligt hemelsbreed ongeveer iets meer dan 30 kilometer van Sevenum vandaan. Hoewel dat in de zestiende en zeventiende eeuw een enorme afstand was, zijn we in deze publicaties geografisch gezien nog niet dichter in de buurt geweest. Afstamming van Jacob Rutten, waarschijnlijk geboren omstreeks 1555 en overleden in 1635, is zodoende zeker niet op voorhand uitgesloten.

Het artikel uit de genoemde rubriek geeft verder antwoord op een drietal vragen uit mijn eerdere post. In de eerste plaats is dat de achtergrondkleur van het schildhoofd, het kader waarin de wielploeg staat afgebeeld. Dat zou in het geval van Jacob Rutten lazuur (blauw) zijn geweest, net zoals op onze canvasversie. In de tweede plaats benoemt de auteur het helmteken als twee rechtopstaande ploegijzers. Dat sluit aan bij de wielploeg uit het schildhoofd. Daarnaast wordt in de publicaties van Marutgen duidelijk dat het in mijn eerdere post afgebeelde tweede wapen, met de staande kraanvogel en de goudklomp in de poot, toebehoort aan de familietak die centraal staat in het familieblad. De datering, benoeming en toewijzing van de andere wapens vallen buiten de reikwijdte van deze blog en laat ik daarom even buiten beschouwing.

Afstamming Jacob Rutten
Wat nu rest is achterhalen of we van deze Jacob afstammen en mijn familie daarmee tot de Rutten-tak uit Kessenich behoort. Tot dusver was, ook in Marutgen, veel geschreven over de takken uit Eijsden, Maastricht en Luik, maar noordelijker dan de Sittardse tak is het nooit gekomen. Ik heb mijn tak voorheen steeds de Noord-Limburgse tak of de Sevenumse tak genoemd. Een afstamming van Jacob Rutten uit Kessenich zou niet alleen bewijzen dat ik rechtmatig dit wapen zou mogen voeren, maar zou het zwaartepunt van mijn onderzoek naar het zuiden doen verplaatsen.

Nu wil het toeval dat de stamboom van deze Jacob centraal staat in het boek De Ruttenstam in het Maasland (1973) van Mathieu Rutten. Hij beschrijft de generaties Rutten in het Maasland: grofweg de streek rond de Maas die vanaf Mook in het uiterste noorden van Limburg tot aan de Waalse stad Namen, ten zuidwesten van Luik, reikt. Aangezien mijn (in ieder geval latere) voorouders veelal boerden in de uiterwaarden van de Maas, is er een gerede kans dat ook hun tak is beschreven. Het boek werd aangekondigd in het Limburgs Dagblad van 12 september 1973, waar tevens werd verwezen naar een recente familiereünie.

In een volgende aflevering van deze reeks over het familiewapen kan ik hopelijk meer over Jacob Rutten vertellen en hoop ik al een beetje uitsluitsel te kunnen geven over mijn mogelijke afstamming.

Handtekeningen in akten: geletterdheid binnen de familie

Officiële akten van de burgerlijke stand behoren tot de beste bronnen binnen het genealogisch onderzoek. Los van de vermelde familierelaties en personalia bevatten ze vaak ook de handtekening van de onderzochte persoon. Persoonlijk en dus bijna vergelijkbaar met een foto of een citaat. Vooral bij oudere generaties is de handtekening perfect om te achterhalen of de persoon kon schrijven en hoe geoefend hij of zij daarin was.
Dankzij die akten, waarvan de eerste aan het einde van de achttiende eeuw werden opgemaakt, heb ik redelijk goed op een rijtje kunnen zetten wie er binnen mijn stamreeks kon lezen en schrijven en vanaf wanneer mensen dat structureel kregen aangeleerd. In dat verband is natuurlijk op te merken dat het in het algemeen afhing van je beroep, de stand waartoe je familie behoorde en of je man of vrouw was.

Binnen de familie Rutten behoorde mijn oudgrootvader Gerardus Rutten (1794-1847), samen met zijn enige volwassen broer, waarschijnlijk tot de eerste generatie mannen die kon schrijven. Hij ondertekende zijn trouwakte in 1822, al valt uit zijn handtekening op te maken dat hij een minder geoefend schrijver was dan latere generaties. Gerardus’ letters zijn niet zo sierlijk als die van zijn nazaten. Op zich is dat opvallend, omdat Gerardus als gemeenteraadslid wel een belangrijke functie bekleedde.

Handtekening Gerardus Rutten 1794-1847, 1822

Gerardus’ handtekening, 1822

Theodor Rutten, Gerardus’ vader, kon blijkens zijn laatste trouwakte uit 1805 niet schrijven. Dat het per familie verschilde, blijkt duidelijk als we de generaties vergelijken. Johanna Zeelen, de vrouw met wie Gerardus in 1822 trouwde, kon schrijven, net als haar vader Thomas Zeelen; hij was van dezelfde generatie als Theodor. Daartegenover staat dat Johanna’s schoondochters, Anna van Helden en Engelina Alards (respectievelijk de eerste en tweede vrouw van mijn oudvader Hendrik Rutten), weer niet konden schrijven.

In de nog Franstalige trouwakte van Theodor uit 1805 wordt handgeschreven aangegeven dat bruid en bruidegom hebben verklaard niet te kunnen schrijven en daarom niet hebben ondertekend

De handtekening van Thomas Zeelen illustreert goed de mate waarin geoefendheid van het eigen handschrift een rol kan spelen. Zeker als je de familienaam niet kent, is het een aardige opgave om zijn naam uit onderstaande handtekening te destilleren. Het is goed mogelijk dat zijn naam het enige was dat hij kon schrijven en dat lezen hem ook niet noodzakelijkerwijs heel goed afging.

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Na Gerardus konden al mijn mannelijke voorouders in directe lijn lezen en schrijven. De handtekeningen werden ook steeds sierlijker en bijna vergelijkbaar met die van de plaatselijke ambtenaren, juristen en notarissen. Fraai is vooral de ‘krullige’ letter R die blijkbaar van vader op zoon overging, met in het bijzonder die van mijn overgrootvader. Daar ga ik toch eens goed op oefenen.

Handtekening van Hendrik Rutten (1837-1896) in 1860

Oudvader Hendrik Rutten, 1860

Handtekening van Jan Rutten (1866-1941), 1895

Betovergrootvader Jan Rutten, 1895

Handtekening van Ger Rutten (1909-1990), 1934

Overgrootvader Ger Rutten, 1934

Daar waar de mannen tot de negentiende eeuw moesten wachten, konden de vrouwelijke generaties binnen mijn directe familielijn − op Johanna Zeelen na − pas schrijven vanaf Hendrina van Els (1867-1940), die in 1895 trouwde met mijn betovergrootvader Jan Rutten (1866-1941). Zij maakte haar lagere school af en ging daarna aan het werk als dienstmeid.

Ik wijd later nog een apart verhaal aan haar leven en dat van haar broer, Toon van Els.

De namencarrousel van voorouder Theodor Rutten

Mijn oudovergrootvader Theodor Rutten (1759-1814) leefde in een tijd waarin kindersterfte aan de orde van de dag was. Je mocht van geluk spreken als de helft van je kinderen de kleutertijd overleefde. Dat gegeven, in combinatie met het gebrek aan ook maar één middel dat geboortebeperking mogelijk maakte, dwong ouders ertoe creatief om te gaan met de beschikbare (lees: bijbelse) namen die aan kinderen gegeven mochten worden.
In de praktijk betekende dat dat dezelfde naam aan verschillende kinderen gegeven werd, zij het steeds in een andere volgorde of in een andere vorm. Bij Theodor en zijn eerste vrouw Maria Backes (overleden in 1791) hield dat ook in dat de naam van een kind vrijkwam om aan een volgend kind te kunnen geven zodra het eerste kind met die naam was overleden. Een en dezelfde naam kon op deze manier diverse keren binnen een en hetzelfde gezin worden gegeven.

Driemaal Gerardus

Bij Theodor en Maria gebeurde dat met de naam Gerardus; sowieso al een naam die ik tot aan mijn opa Wiel (1934-1990) − Willem Johannes Anna Gerardus − in iedere generatie binnen mijn stamboom ben tegengekomen. In het negen jaar durende huwelijk van Theodor en Maria werden vier zonen en één dochter geboren. Een levenloos geboren zoon in 1785 kreeg geen naam mee; de andere drie heetten – u raadt het al – Gerardus, voor het gemak door mij van een volgnummer voorzien:

– Gerardus I (26 augustus 1782 − 29 augustus 1782)
– Gerardus II (17 september 1783 − 15 januari 1789)
– Gerardus III (11 maart 1789 − 19 maart 1789)

Vooral bij het derde kind lijkt dit wrang: zijn ouders hebben net 5,5 jaar lang een ander kind Gerardus genoemd en gaan daar na diens overlijden in feite mee door. Bovendien was Maria ten tijde van de tweede Gerardus al een halfjaar zwanger van de zoon die later als derde kind de naam Gerardus zou krijgen. Zo krijg je toch een beetje de indruk dat het overleden kind wordt ingeruild voor de nieuw geboren baby. Al zal dat toen vast niet zo gevoeld hebben.
Maria beviel tijdens haar huwelijk met Theodor ook nog van een dochter: Catharina. Van haar is alleen bekend dat zij op 9 september 1791 overleed. Zij werd hooguit elf jaar oud. Het overlijden van Maria in juni 1791 wijst er mogelijk op dat ook Catharina niet ouder werd dan enkele maanden. Van de vijf kinderen van Theodor en Maria heeft zodoende geen enkel de volwassen leeftijd bereikt; de oudste geverifieerde leeftijd was nog geen zes.

Andermaal een Gerardus

Na de dood van Maria trouwde Theodor met Hendrina Verhaegh. Met haar kreeg hij drie kinderen. Opvallend genoeg kreeg de eerste zoon de naam Martinus (1792-1809); beiden durfden het blijkbaar niet aan direct hun eerste kind Gerardus te noemen. Die naam werd wel bij de tweede geboorte vergeven.
Dat die laatste wel de volwassen leeftijd haalde, betekende in ieder geval dat de naam van Theodors vader Gerard Rutten (1726-1793) voortleefde. Bovendien had ik, zonder mijn oudgrootvader Gerardus (1794-1847), hier nu niet gezeten.

Geboorteakte Gerardus Rutten, 1794-1847

De geboorteakte vermeldt: “21ste [maart]. Geboren en gedoopt is Gerardus, wettige zoon van Theodor Rutten en Hendrina Verhaegh. Getuigen Peter Verhaegh en Anna Maria de Trouz in de plaats van Leonore Claessens.” Vertaling door ondergetekende.

Na Gerardus IV en Martinus beviel Hendrina van dochter Maria Magdalena in 1797. Zij zou het laatste kind zijn van Theodor en Hendrina. Na de dood van de laatste kreeg Theodor met zijn derde vrouw in 1806 nog een zoon. Dat de huwelijken van Theodor Rutten elkaar in een rap tempo opvolgden, beschrijf ik in de blogpost over de huwelijkscarrousel van mijn oudovergrootvader.

Het wapen van de familie Rutten, of toch niet?

Zowel aan het begin van deze post als in de hoedanigheid van ‘favicon’ (de afbeelding op het tabblad) is het wapen van de familie Rutten te zien. Of beter gezegd: het familiewapen van een familie Rutten. Er zijn immers veschillende families die zich de achternaam Rutten hebben aangemeten en ook alle een eigen wapen lijken te voeren. Het wapen dat ik op deze blog gebruik, heb ik bovenaan deze post geplaatst.
Hoofdregel binnen de familieheraldiek is dat je slechts een wapen voert als je 1) aantoonbaar tot specifiek die familie met die achternaam afstamt en 2) die familie indertijd het wapen rechtmatig is gaan voeren. U zult begrijpen dat, met het oog op de verschillende families Rutten die verschillende wapens voeren (of zelfs geen), het geen gemakkelijke, zo niet onmogelijke opgave is om dat aan te tonen. Maar hoe zit het nu juridisch? Het Genealogisch Genootschap constateerde al in een vergadering in 1894 dat personen van niet-adellijke komaf een familiewapen mochten voeren. Ook tegenwoordig legt het Wetboek van Strafrecht aan hen geen strobreed in de weg; artikel 435 verbiedt slechts het onrechtmatig voeren van adellijke titels en ordetekens. Een familiewapen valt daarbuiten.
Dat betekent dat wie in zijn onderzoek naar zijn familiegeschiedenis nooit op een familiewapen is gestuit of een redelijk vermoeden heeft dat het gevonden wapen niet tot zijn familie behoort, een nieuw wapen kan (laten) ontwerpen en dat mag voeren. Omdat de overheid wat familiewapens betreft slechts die beschermt die tot adellijke families behoren, is het alternatief voor de gewone sterveling gelegen in de registratie van het wapen bij het Benelux-bureau voor de intellectuele eigendom. Genealogisch gezien is dat alles uiteraard minder interessant.

Wie enkele minuten Google afstruint naar wapens die aan de familie Rutten worden toegeschreven, vindt er al snel een aantal, waaronder dus ook het exemplaar dat op deze blog gebruikt wordt – zij het slechts tijdelijk en op één blog. Ik heb wat andere voorbeelden verzameld en opgenomen in deze post.

Familiewapen Rutten

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

Het gebruik van uitgerekend dit wapen met alle “keuze” die er is, lijkt dan wat voorbarig, ware het niet dat het eerste wapen handgeschilderd op canvas is terug te vinden op de zolder van mijn ouders. Naar verluidt is het gemaakt door een kennis van een ver familielid, dat enkele decennia geleden een helaas onvindbaar onderzoek deed naar onze familie. Dat biedt natuurlijk niet het waterdichte bewijs dat het wapen tot mijn familielijn behoort. Het is niet uitgesloten dat het familielid zich op een heraldisch boekwerk heeft gebaseerd en niet op onze genealogische geschiedenis.

bron: rutten.nu

Overigens is de canvasversie niet met een purper (paarse) tint, maar met lazuur (blauw) ingekleurd. Dat kan natuurlijk te wijten zijn aan een beperkte hoeveelheid beschikbare verf, maar het kan ook liggen aan een afwijkend kleurgebruik van het wapen binnen een en dezelfde familie, om verschillende leden en/of takken te onderscheiden.

Blazoenering
Wat beeldt het wapen nu precies af? Wat direct in het oog springt, is de op het schildhoofd geplaatste wielploeg, volgens Van Dale een “ploeg met aan een raam bevestigde wielassen”. De uitvinding ervan aan het einde van de Middeleeuwen betekende een enorme vooruitgang voor de landbouw; boeren konden voortaan een stuk efficiënter te werk gaan. Met wat goede wil zou je hierin een aanwijzing kunnen zien dat dit wapen aan onze familietak toebehoort, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het boerenbestaan in Noord-Limburg niet beperkt was tot mijn familie, ook al hebben we het vak zeker 300 jaar lang in dat gebied uitgeoefend.
Bovenop het schild is een gouden helm geplaatst, waarbij de openingen en de aan de voorzijde zichtbare achterkant oranje zijn ingekleurd. De helm en het schild zijn omgeven door een zogeheten dekkleed: een stuk in zwierige krullen gesneden stof dat ridders aan de helm vastmaakten om zichzelf tegen de zon te beschermen. De kleuren komen overeen met die van het schild: afwisselend purper en zilver.
Het helmteken lijkt te bestaan uit twee rechtopstaande zwaarden, maar de precieze betekenis hiervan is mij tot dusver onduidelijk. Ten slotte is het zilverkleurige (witte) lint onder het wapen doorgaans bedoeld voor een motto, maar in dit wapen staat er slechts de familienaam. Misschien was een motto dan toch interessanter geweest.

Ik hoop in een volgende blogpost een antwoord te kunnen geven op de vraag uit de titel van deze post. Dit verhaal bevatte de spaarzame aanwijzingen die ik tot nu toe ben tegenkomen.

© Robin Rutten – alle rechten voorbehouden

Ontwerp: Anders NorenBoven ↑