Juridische kwakzalverij van het complotdenkersgilde

Eind vorig jaar werd ik op een of ander internetplatform beschuldigd van ‘ecocide’ (zie hier voor de Engelstalige duiding), omdat ik de complottheorieën over 5G maar onzin vond. De beloofde aansprakelijkstelling heb ik uiteraard nooit ontvangen, maar ik kreeg wel de raad om me aan te sluiten bij een collectief dat bestuurders en politici aansprakelijk ging stellen voor de (vermeende) schade die de introductie van 5G zou veroorzaken.

Hij was zo vriendelijk om mij en andere gebruikers te voorzien van een linkje naar meer informatie over de procedure. Daar stond de volgende onnavolgbare kakofonie aan woorden die door moest gaan voor een juridische analyse, maar waar inhoudelijk geen pepernoot van klopt:

Het blijkt dat zonder jouw toestemming (wilsverklaring (Art 3.33 BW) een persoonlijke dienstbaarheid, zoals de aanleg van het 5G netwerk, niet acceptabel (Art. 1.1 lid 2 BW) is. Met andere woorden zonder jouw toestemming mag de activering van 5G niet. Dit feit maak je juridisch ‘hard’ door een verbintenis aan te gaan met de directeuren van de telecomproviders, voordat het netwerk geactiveerd wordt. Als dit daarna toch gebeurt is er sprake van een onrechtmatige daad tegen jou en dat geeft je het recht op een schadevergoeding (Art. 6:162 BW).

Zoals gezegd is het een hele brij, maar ik ga proberen het te ontwarren.

Persoonlijke dienstbaarheid
In feite staat er dat een persoonlijke dienstbaarheid alleen mag met jouw toestemming, die hier gemakshalve gelijkgesteld wordt met de wilsverklaring. Het begrip ‘persoonlijke dienstbaarheid’ ziet echter op de situatie dat iemand zijn ‘rechtstoestand’ verliest. Daarbij moet je denken aan slavernij en horigheid. Het uitzetten van een gsm-netwerk heeft voor niets en niemand slavernij tot gevolg, dus is er ook geen sprake van een persoonlijke dienstbaarheid.

Daarbij komt nog eens dat het praktisch al vrij lastig is om iemand toestemming te geven tot slavernij, maar het mag ook niet. Zulke overeenkomsten zijn nietig, omdat ze in strijd zijn met de wet en de goede zeden; hoe hard je het ook probeert, een dergelijke overeenkomst kan niet tot stand worden gebracht. ‘Toestemming voor een persoonlijke dienstbaarheid’ is daarmee dubbel fout.

Wilsverklaring
Dan de wilsverklaring. Zij ziet niet op het geven van toestemming, maar op het rechtsgeldig tot stand brengen van een rechtshandeling: een menselijke handeling die het inroepen van een rechtsgevolg beoogt, zoals het aangaan van een overeenkomst, maar ook het erkennen van een kind bijvoorbeeld. De rechtshandeling brengt verandering in de rechtssituatie van betrokkenen teweeg. Het aangaan van de overeenkomst of de erkenning komt pas tot stand als dat ook echt de wil was van diegene die de rechtshandeling verrichtte en zolang die wil naar buiten kenbaar was. Dat is de wilsverklaring.

Zonder rechtshandeling is het begrip wilsverklaring inhoudsloos. Bij het uitrollen van een nieuw gsm-netwerk is van een rechtshandeling geen sprake; er treedt geen verandering op in de rechtspositie van betrokkenen. En zelfs als je gelooft dat de introductie schade veroorzaakt, maakt het dat nog geen rechtshandeling, omdat het resultaat in dat geval niet is beoogd. Geen rechtshandeling, dus ook geen wilsverklaring.

Het ‘aangaan van een verbintenis’
Vervolgens de zinsnede die eigenlijk helemaal geen hout snijdt: ‘Dit feit maak je juridisch ‘hard’ door een verbintenis aan te gaan met de directeuren van de telecomproviders’, om eraan toe te voegen dat het door hen ‘negeren’ van de ‘verbintenis’ tot een onrechtmatige daad leidt. Hier lopen begrippen door elkaar.

In de eerste plaats: ‘verbintenis’ is een containerbegrip voor allerlei rechtsverhoudingen die (uiteindelijk) uit de wet voortvloeien. De bekendste verbintenis is de overeenkomst, die tot stand komt door middel van een meerzijdige rechtshandeling. In de volksmond wordt de overeenkomst ook wel een contract genoemd. De verbintenis roept rechten en plichten in het leven voor de partijen die bij het contract zijn betrokken.

De onrechtmatige daad uit art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is een andere verbintenis. Daarvan is sprake als iemand – kort gezegd – schade veroorzaakt en hem dat valt aan te rekenen. De verbintenis bestaat eruit dat de één verplicht is de schade te vergoeden en de ander het recht verkrijgt op vergoeding van de schade. Die verbintenis ontstaat ‘vanzelf’ als aan de voorwaarden is voldaan. Daarvoor hoeft helemaal geen ‘verbintenis’ te worden aangegaan. Je kunt geen onrechtmatige daad aangaan.

Sterker nog: het enige dat je in dit geval aan zou kunnen gaan is een overeenkomst. Daarin zou je in theorie met de telecombedrijven overeen kunnen komen dat het 5G-netwerk niet wordt opengesteld. Het negeren van een overeenkomst levert echter nooit een onrechtmatige daad op, maar wanprestatie ex. art. 6:74 BW. Voor de totstandkoming van een overeenkomst is – zo legde ik hierboven al uit – een wil nodig en ik durf te wedden dat die wil er bij de telecombedrijven niet is.

Wat klopt er dan wel?
Het collectief had die juridische kwakzalverij ook gewoon achterwege kunnen laten. Voor het veroorzaken van schade is de onrechtmatigedaadbepaling van toepassing. Op grond daarvan had het collectief de rechter om een verbod kunnen verzoeken. Nadeel daarvan is dat de achteloze lezer geen 29 euro meer uit de zak geklopt kan worden. Eerlijkheidshalve biedt het collectief ook aan dat je op eigen initiatief actie onderneemt. In dat geval kun je door het collectief opgestelde “contracten” invullen en zelf naar de telecombazen opsturen.

Eigenlijk is het een hilarische werkwijze. Ik stel een contract op en verstuur dat naar iemand anders om de ander bij niet-nakoming te dagvaarden voor een vordering uit onrechtmatige daad. Lekker makkelijk verdiend: je stuurt gewoon zelfgeschreven contracten rond en incasseert de schadevergoedingen als de mensen – die nooit akkoord zijn gegaan – zich er niet aan houden.

Waarom behoren er geen juristen tot het complotdenkersgilde?

Nostalgisch muziekgenre in tijden van corona

Hoewel de tijd van thuisquarantaine een hoop gelegenheid biedt tot het boeken van vooruitgang in werk, studie en het schrijven van mijn familiekroniek, heeft een mens soms toch echt afleiding nodig om het hoofd een beetje leeg te krijgen. En wat werkt dan beter dan doelloos rondklikken op YouTube om daar vergeten muziekgenres te herontdekken?

Gisteren kwam ik via een afspeellijst van jarennegentigklassiekers op een aantal nummers dat je onder het zogenoemde eurodance zou scharen. Een muziekgenre dat eind jaren tachtig in Duitsland ontstond als een ietwat vreemde mix van housemuziek, techno en hiphop, met disco-achtige videoclips van kleurig geklede zangeressen en een rapper die er af en toe tussendoor kwam.

De populariteit verspreidde zich via Duitsland naar de Benelux. Vanaf de jaren negentig speelden Nederlandse bands de voornaamste rol in het genre. Nog meer dan de dj’s van nu waren de eurodancegroepen het grootste muziekexportproduct van ons land. Het bekendste voorbeeld zijn ongetwijfeld de Vengaboys met nummers als Boom, boom, boom, boom!! en We’re Going to Ibiza, beide uit 1998. Eerdere successen werden geboekt door 2Unlimited, dat met No Limit uit 1993 in veertien (!) landen de nummer-een-positie bereikte.

No Limit van 2Unlimited, wereldwijd de grootste hit van het jaar 1993

Wikipedia noemt nog een aantal nummers dat onder eurodancemuziek geschaard wordt en die in ieder geval bij mij nostalgische gevoelens oproepen, hoewel de meeste strikt genomen van voor mijn tijd zijn. Klassiekers als What Is Love (1993) van Haddaway en It’s My Life (1992) van Mr. Alban kent ieder kind dat geboren werd in de jaren negentig. Diezelfde ‘kinderen’ zingen nummers mee als Barbie Girl (1997) van Aqua, Blue, Da Ba Dee (1998) van Eiffel 65 en Coco Jamboo (1996) van Mr. President.

What Is Love van Haddaway uit 1993.

Hetzelfde Wikipedia vertelt ons dat het hele genre aan het begin van deze eeuw compleet van de radio verdween. En dat is niet alleen fascinerend – een heel muziekgenre waar opeens niemand meer interesse in toont – maar ook wel jammer, ware het niet dat in 2005 YouTube werd opgericht en we nu een hele quarantaine lang naar de door ons zelf uitgekozen nummers kunnen luisteren.

Het wapen van de familie Rutten, of toch niet? (2)

Na mijn eerste blogpost over het wapen van een familie Rutten kwam ik het familiewapen, zoals dat op canvas in familiebezit is, toch nog elders tegen: in een artikel over de uit Eijsden afkomstige brouwersfamilie Rutten. Het artikel was in 1984 geschreven en het wapen was door de auteur getekend. Na navraag bleek het te zijn gebaseerd op een artikel uit het Familieblad Rutten, dat tussen 1966 en 1999 maar liefst driemaandelijks werd uitgegeven, laatstelijk onder de titel Marutgen. Hoewel die titel schijnbaar veel potentie had voor een artikel over de etymologische oorsprong van mijn familienaam, is het niet meer dan een afkorting van Margraten, Rutten, genealogie.

Ruttelogie
Volgens de rubriek ‘Ruttelogie’ uit aflevering 37 van Marutgen (september 1984) behoort het bovenstaande wapen toe aan Jacob Rutten, tussen 1628 en 1634 als schepen actief van de Belgisch-Limburgse gemeente Kessenich. Die plaats ligt hemelsbreed ongeveer iets meer dan 30 kilometer van Sevenum vandaan. Hoewel dat in de zestiende en zeventiende eeuw een enorme afstand was, zijn we in deze publicaties geografisch gezien nog niet dichter in de buurt geweest. Afstamming van Jacob Rutten, waarschijnlijk geboren omstreeks 1555 en overleden in 1635, is zodoende zeker niet op voorhand uitgesloten.

Het artikel uit de genoemde rubriek geeft verder antwoord op een drietal vragen uit mijn eerdere post. In de eerste plaats is dat de achtergrondkleur van het schildhoofd, het kader waarin de wielploeg staat afgebeeld. Dat zou in het geval van Jacob Rutten lazuur (blauw) zijn geweest, net zoals op onze canvasversie. In de tweede plaats benoemt de auteur het helmteken als twee rechtopstaande ploegijzers. Dat sluit aan bij de wielploeg uit het schildhoofd. Daarnaast wordt in de publicaties van Marutgen duidelijk dat het in mijn eerdere post afgebeelde tweede wapen, met de staande kraanvogel en de goudklomp in de poot, toebehoort aan de familietak die centraal staat in het familieblad. De datering, benoeming en toewijzing van de andere wapens vallen buiten de reikwijdte van deze blog en laat ik daarom even buiten beschouwing.

Afstamming Jacob Rutten
Wat nu rest is achterhalen of we van deze Jacob afstammen en mijn familie daarmee tot de Rutten-tak uit Kessenich behoort. Tot dusver was, ook in Marutgen, veel geschreven over de takken uit Eijsden, Maastricht en Luik, maar noordelijker dan de Sittardse tak is het nooit gekomen. Ik heb mijn tak voorheen steeds de Noord-Limburgse tak of de Sevenumse tak genoemd. Een afstamming van Jacob Rutten uit Kessenich zou niet alleen bewijzen dat ik rechtmatig dit wapen zou mogen voeren, maar zou het zwaartepunt van mijn onderzoek naar het zuiden doen verplaatsen.

Nu wil het toeval dat de stamboom van deze Jacob centraal staat in het boek De Ruttenstam in het Maasland (1973) van Mathieu Rutten. Hij beschrijft de generaties Rutten in het Maasland: grofweg de streek rond de Maas die vanaf Mook in het uiterste noorden van Limburg tot aan de Waalse stad Namen, ten zuidwesten van Luik, reikt. Aangezien mijn (in ieder geval latere) voorouders veelal boerden in de uiterwaarden van de Maas, is er een gerede kans dat ook hun tak is beschreven. Het boek werd aangekondigd in het Limburgs Dagblad van 12 september 1973, waar tevens werd verwezen naar een recente familiereünie.

In een volgende aflevering van deze reeks over het familiewapen kan ik hopelijk meer over Jacob Rutten vertellen en hoop ik al een beetje uitsluitsel te kunnen geven over mijn mogelijke afstamming.

Geletterdheid binnen een stamreeks

Officiële akten van de burgerlijke stand behoren tot de beste bronnen binnen het genealogisch onderzoek. Los van de vermelde familierelaties en personalia bevatten ze vaak ook de handtekening van de onderzochte persoon. Persoonlijk en dus bijna vergelijkbaar met een foto of een citaat. Vooral bij oudere generaties is de handtekening perfect om te achterhalen of de persoon kon schrijven en hoe geoefend hij of zij daarin was.
Dankzij die akten, waarvan de eerste aan het einde van de achttiende eeuw werden opgemaakt, heb ik redelijk goed op een rijtje kunnen zetten wie er binnen mijn stamreeks kon lezen en schrijven en vanaf wanneer mensen dat structureel kregen aangeleerd. In dat verband is natuurlijk op te merken dat het in het algemeen afhing van je beroep, de stand waartoe je familie behoorde en of je man of vrouw was.

Binnen de familie Rutten behoorde mijn oudgrootvader Gerardus Rutten (1794-1847), samen met zijn enige volwassen broer, waarschijnlijk tot de eerste generatie mannen die kon schrijven. Hij ondertekende zijn trouwakte in 1822, al valt uit zijn handtekening op te maken dat hij een minder geoefend schrijver was dan latere generaties. Gerardus’ letters zijn niet zo sierlijk als die van zijn nazaten. Op zich is dat opvallend, omdat Gerardus als gemeenteraadslid wel een belangrijke functie bekleedde.

Handtekening Gerardus Rutten 1794-1847, 1822

Gerardus’ handtekening, 1822

Theodor Rutten, Gerardus’ vader, kon blijkens zijn laatste trouwakte uit 1805 niet schrijven. Dat het per familie verschilde, blijkt duidelijk als we de generaties vergelijken. Johanna Zeelen, de vrouw met wie Gerardus in 1822 trouwde, kon schrijven, net als haar vader Thomas Zeelen; hij was van dezelfde generatie als Theodor. Daartegenover staat dat Johanna’s schoondochters, Anna van Helden en Engelina Alards (respectievelijk de eerste en tweede vrouw van mijn oudvader Hendrik Rutten), weer niet konden schrijven.

In de nog Franstalige trouwakte van Theodor uit 1805 wordt handgeschreven aangegeven dat bruid en bruidegom hebben verklaard niet te kunnen schrijven en daarom niet hebben ondertekend

De handtekening van Thomas Zeelen illustreert goed de mate waarin geoefendheid van het eigen handschrift een rol kan spelen. Zeker als je de familienaam niet kent, is het een aardige opgave om zijn naam uit onderstaande handtekening te destilleren. Het is goed mogelijk dat zijn naam het enige was dat hij kon schrijven en dat lezen hem ook niet noodzakelijkerwijs heel goed afging.

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Na Gerardus konden al mijn mannelijke voorouders in directe lijn lezen en schrijven. De handtekeningen werden ook steeds sierlijker en bijna vergelijkbaar met die van de plaatselijke ambtenaren, juristen en notarissen. Fraai is vooral de ‘krullige’ letter R die blijkbaar van vader op zoon overging, met in het bijzonder die van mijn overgrootvader. Daar ga ik toch eens goed op oefenen.

Handtekening van Hendrik Rutten (1837-1896) in 1860

Oudvader Hendrik Rutten, 1860

 

Handtekening van Jan Rutten (1866-1941), 1895

Betovergrootvader Jan Rutten, 1895

 

Handtekening van Ger Rutten (1909-1990), 1934

Overgrootvader Ger Rutten, 1934

Daar waar de mannen tot de negentiende eeuw moesten wachten, konden de vrouwelijke generaties binnen mijn directe familielijn − op Johanna Zeelen na − pas schrijven vanaf Hendrina van Els (1867-1940), die in 1895 trouwde met mijn betovergrootvader Jan Rutten (1866-1941). Zij maakte haar lagere school af en ging daarna aan het werk als dienstmeid.

De namencarrousel van Theodor Rutten

Mijn oudovergrootvader Theodor Rutten (1759-1814) leefde in een tijd waarin kindersterfte aan de orde van de dag was. Je mocht van geluk spreken als de helft van je kinderen de kleutertijd overleefde. Dat gegeven, in combinatie met het gebrek aan ook maar één middel dat geboortebeperking mogelijk maakte, dwong ouders ertoe creatief om te gaan met de beschikbare (lees: bijbelse) namen die aan kinderen gegeven mochten worden.

In de praktijk betekende dat dat dezelfde naam aan verschillende kinderen gegeven werd, zij het steeds in een andere volgorde of in een andere vorm. Bij Theodor en zijn eerste vrouw Maria Backes (overleden in 1791) hield dat ook in dat de naam van een kind vrijkwam om aan een volgend kind te kunnen geven zodra het eerste kind met die naam was overleden. Een en dezelfde naam kon op deze manier diverse keren binnen een en hetzelfde gezin worden gegeven.

Driemaal Gerardus
Bij Theodor en Maria gebeurde dat met de naam Gerardus; sowieso al een naam die ik tot aan mijn opa Wiel (1934-1990) − Willem Johannes Anna Gerardus − in iedere generatie binnen mijn stamboom ben tegengekomen. In het negen jaar durende huwelijk van Theodor en Maria werden vier zonen en één dochter geboren. Een levenloos geboren zoon in 1785 kreeg geen naam mee; de andere drie heetten – u raadt het al – Gerardus, voor het gemak door mij van een volgnummer voorzien:

– Gerardus I (26 augustus 1782 − 29 augustus 1782)
– Gerardus II (17 september 1783 − 15 januari 1789)
– Gerardus III (11 maart 1789 − 19 maart 1789)

Vooral bij het derde kind lijkt dit wrang: zijn ouders hebben net 5,5 jaar lang een ander kind Gerardus genoemd en gaan daar na diens overlijden in feite mee door. Bovendien was Maria ten tijde van de tweede Gerardus al een halfjaar zwanger van de zoon die later als derde kind de naam Gerardus zou krijgen. Zo krijg je toch een beetje de indruk dat het overleden kind wordt ingeruild voor de nieuw geboren baby. Al zal dat toen vast niet zo gevoeld hebben.

Maria beviel tijdens haar huwelijk met Theodor ook nog van een dochter: Catharina. Van haar is alleen bekend dat zij op 9 september 1791 overleed. Zij werd hooguit elf jaar oud. Het overlijden van Maria in juni 1791 wijst er mogelijk op dat ook Catharina niet ouder werd dan enkele maanden. Van de vijf kinderen van Theodor en Maria heeft zodoende geen enkel de volwassen leeftijd bereikt; de oudste geverifieerde leeftijd was nog geen zes.

Andermaal een Gerardus
Na de dood van Maria trouwde Theodor met Hendrina Verhaegh. Met haar kreeg hij drie kinderen. Opvallend genoeg kreeg de eerste zoon de naam Martinus (1792-1809); beiden durfden het blijkbaar niet aan direct hun eerste kind Gerardus te noemen. Die naam werd wel bij de tweede geboorte vergeven.

Dat die laatste wel de volwassen leeftijd haalde, betekende in ieder geval dat de naam van Theodors vader Gerard Rutten (1726-1793) voortleefde. Bovendien had ik, zonder mijn oudgrootvader Gerardus (1794-1847), hier nu niet gezeten.

Geboorteakte Gerardus Rutten, 1794-1847

De geboorteakte vermeldt: “21ste [maart]. Geboren en gedoopt is Gerardus, wettige zoon van Theodor Rutten en Hendrina Verhaegh. Getuigen Peter Verhaegh en Anna Maria de Trouz in de plaats van Leonore Claessens.” Vertaling door ondergetekende.

Na Gerardus IV en Martinus beviel Hendrina van dochter Maria Magdalena in 1797. Zij zou het laatste kind zijn van Theodor en Hendrina. Na de dood van de laatste kreeg Theodor met zijn derde vrouw in 1806 nog een zoon. Dat de huwelijken van Theodor Rutten elkaar in een rap tempo opvolgden, beschrijf ik later in een blogpost over de huwelijkscarrousel van mijn oudovergrootvader.

Het wapen van de familie Rutten, of toch niet?

Zowel aan het begin van deze post als in de hoedanigheid van ‘favicon’ (de afbeelding op het tabblad) is het wapen van de familie Rutten te zien. Of beter gezegd: het familiewapen van een familie Rutten. Er zijn immers veschillende families die zich de achternaam Rutten hebben aangemeten en ook alle een eigen wapen lijken te voeren. Het wapen dat ik op deze blog gebruik, heb ik bovenaan deze post geplaatst.
Hoofdregel binnen de familieheraldiek is dat je slechts een wapen voert als je 1) aantoonbaar tot specifiek die familie met die achternaam afstamt en 2) die familie indertijd het wapen rechtmatig is gaan voeren. U zult begrijpen dat, met het oog op de verschillende families Rutten die verschillende wapens voeren (of zelfs geen), het geen gemakkelijke, zo niet onmogelijke opgave is om dat aan te tonen. Maar hoe zit het nu juridisch? Het Genealogisch Genootschap constateerde al in een vergadering in 1894 dat personen van niet-adellijke komaf een familiewapen mochten voeren. Ook tegenwoordig legt het Wetboek van Strafrecht aan hen geen strobreed in de weg; artikel 435 verbiedt slechts het onrechtmatig voeren van adellijke titels en ordetekens. Een familiewapen valt daarbuiten.
Dat betekent dat wie in zijn onderzoek naar zijn familiegeschiedenis nooit op een familiewapen is gestuit of een redelijk vermoeden heeft dat het gevonden wapen niet tot zijn familie behoort, een nieuw wapen kan (laten) ontwerpen en dat mag voeren. Omdat de overheid wat familiewapens betreft slechts die beschermt die tot adellijke families behoren, is het alternatief voor de gewone sterveling gelegen in de registratie van het wapen bij het Benelux-bureau voor de intellectuele eigendom. Genealogisch gezien is dat alles uiteraard minder interessant.

Wie enkele minuten Google afstruint naar wapens die aan de familie Rutten worden toegeschreven, vindt er al snel een aantal, waaronder dus ook het exemplaar dat op deze blog gebruikt wordt – zij het slechts tijdelijk en op één blog. Ik heb wat andere voorbeelden verzameld en opgenomen in deze post.

Familiewapen Rutten

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

Het gebruik van uitgerekend dit wapen met alle “keuze” die er is, lijkt dan wat voorbarig, ware het niet dat het eerste wapen handgeschilderd op canvas is terug te vinden op de zolder van mijn ouders. Naar verluidt is het gemaakt door een kennis van een ver familielid, dat enkele decennia geleden een helaas onvindbaar onderzoek deed naar onze familie. Dat biedt natuurlijk niet het waterdichte bewijs dat het wapen tot mijn familielijn behoort. Het is niet uitgesloten dat het familielid zich op een heraldisch boekwerk heeft gebaseerd en niet op onze genealogische geschiedenis.

bron: rutten.nu

Overigens is de canvasversie niet met een purper (paarse) tint, maar met lazuur (blauw) ingekleurd. Dat kan natuurlijk te wijten zijn aan een beperkte hoeveelheid beschikbare verf, maar het kan ook liggen aan een afwijkend kleurgebruik van het wapen binnen een en dezelfde familie, om verschillende leden en/of takken te onderscheiden.

Blazoenering
Wat beeldt het wapen nu precies af? Wat direct in het oog springt, is de op het schildhoofd geplaatste wielploeg, volgens Van Dale een “ploeg met aan een raam bevestigde wielassen”. De uitvinding ervan aan het einde van de Middeleeuwen betekende een enorme vooruitgang voor de landbouw; boeren konden voortaan een stuk efficiënter te werk gaan. Met wat goede wil zou je hierin een aanwijzing kunnen zien dat dit wapen aan onze familietak toebehoort, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het boerenbestaan in Noord-Limburg niet beperkt was tot mijn familie, ook al hebben we het vak zeker 300 jaar lang in dat gebied uitgeoefend.
Bovenop het schild is een gouden helm geplaatst, waarbij de openingen en de aan de voorzijde zichtbare achterkant oranje zijn ingekleurd. De helm en het schild zijn omgeven door een zogeheten dekkleed: een stuk in zwierige krullen gesneden stof dat ridders aan de helm vastmaakten om zichzelf tegen de zon te beschermen. De kleuren komen overeen met die van het schild: afwisselend purper en zilver.
Het helmteken lijkt te bestaan uit twee rechtopstaande zwaarden, maar de precieze betekenis hiervan is mij tot dusver onduidelijk. Ten slotte is het zilverkleurige (witte) lint onder het wapen doorgaans bedoeld voor een motto, maar in dit wapen staat er slechts de familienaam. Misschien was een motto dan toch interessanter geweest.

Ik hoop in een volgende blogpost een antwoord te kunnen geven op de vraag uit de titel van deze post. Dit verhaal bevatte de spaarzame aanwijzingen die ik tot nu toe ben tegenkomen.