Stamreeks Rutten

over de lijn die zuidwaarts ging (1595-1995)

Handtekeningen in akten: geletterdheid binnen de familie

Officiële akten van de burgerlijke stand behoren tot de beste bronnen binnen het genealogisch onderzoek. Los van de vermelde familierelaties en personalia bevatten ze vaak ook de handtekening van de onderzochte persoon. Persoonlijk en dus bijna vergelijkbaar met een foto of een citaat. Vooral bij oudere generaties is de handtekening perfect om te achterhalen of de persoon kon schrijven en hoe geoefend hij of zij daarin was.
Dankzij die akten, waarvan de eerste aan het einde van de achttiende eeuw werden opgemaakt, heb ik redelijk goed op een rijtje kunnen zetten wie er binnen mijn stamreeks kon lezen en schrijven en vanaf wanneer mensen dat structureel kregen aangeleerd. In dat verband is natuurlijk op te merken dat het in het algemeen afhing van je beroep, de stand waartoe je familie behoorde en of je man of vrouw was.

Binnen de familie Rutten behoorde mijn oudgrootvader Gerardus Rutten (1794-1847) waarschijnlijk tot de eerste generatie mannen die kon schrijven. Hij ondertekende zijn trouwakte in 1822, al valt uit zijn handtekening op te maken dat hij een minder geoefend schrijver was dan latere generaties. Gerardus’ letters zijn niet zo sierlijk als die van zijn nazaten. Op zich is dat opvallend, omdat Gerardus als gemeenteraadslid wel een belangrijke functie bekleedde.

Handtekening Gerardus Rutten 1794-1847, 1822

Gerardus’ handtekening, 1822

Theodor Rutten, Gerardus’ vader, kon blijkens zijn laatste trouwakte uit 1805 niet schrijven. Dat het per familie verschilde, blijkt duidelijk als we de generaties vergelijken. Johanna Zeelen, de vrouw met wie Gerardus in 1822 trouwde, kon schrijven, net als haar vader Thomas Zeelen; hij was van dezelfde generatie als Theodor. Daartegenover staat dat Johanna’s schoondochters, Anna van Helden en Engelina Alards (respectievelijk de eerste en tweede vrouw van mijn oudvader Hendrik Rutten), weer niet konden schrijven.

In de nog Franstalige trouwakte van Theodor uit 1805 wordt handgeschreven aangegeven dat bruid en bruidegom hebben verklaard niet te kunnen schrijven en daarom niet hebben ondertekend

De handtekening van Thomas Zeelen illustreert goed de mate waarin geoefendheid van het eigen handschrift een rol kan spelen. Zeker als je de familienaam niet kent, is het een aardige opgave om zijn naam uit onderstaande handtekening te destilleren. Het is goed mogelijk dat zijn naam het enige was dat hij kon schrijven en dat lezen hem ook niet noodzakelijkerwijs heel goed afging.

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Handtekening van Thomas Zeelen, 1822

Na Gerardus konden al mijn mannelijke voorouders in directe lijn lezen en schrijven. De handtekeningen werden ook steeds sierlijker en bijna vergelijkbaar met die van de plaatselijke ambtenaren, juristen en notarissen. Fraai is vooral de ‘krullige’ letter R die blijkbaar van vader op zoon overging, met in het bijzonder die van mijn overgrootvader. Daar ga ik toch eens goed op oefenen.

Handtekening van Hendrik Rutten (1837-1896) in 1860

Oudvader Hendrik Rutten, 1860

Handtekening van Jan Rutten (1866-1941), 1895

Betovergrootvader Jan Rutten, 1895

Handtekening van Ger Rutten (1909-1990), 1934

Overgrootvader Ger Rutten, 1934

Daar waar de mannen tot de negentiende eeuw moesten wachten, konden de vrouwelijke generaties binnen mijn directe familielijn − op Johanna Zeelen na − pas schrijven vanaf Hendrina van Els (1867-1940), die in 1895 trouwde met mijn betovergrootvader Jan Rutten (1866-1941). Zij maakte haar lagere school af en ging daarna aan het werk als dienstmeid.

Ik wijd later nog een apart verhaal aan haar leven en dat van haar broer, Toon van Els.

De namencarrousel van voorouder Theodor Rutten

Mijn oudovergrootvader Theodor Rutten (1759-1814) leefde in een tijd waarin kindersterfte aan de orde van de dag was. Je mocht van geluk spreken als de helft van je kinderen de kleutertijd overleefde. Dat gegeven, in combinatie met het gebrek aan ook maar één middel dat geboortebeperking mogelijk maakte, dwong ouders ertoe creatief om te gaan met de beschikbare (lees: bijbelse) namen die aan kinderen gegeven mochten worden.
In de praktijk betekende dat dat dezelfde naam aan verschillende kinderen gegeven werd, zij het steeds in een andere volgorde of in een andere vorm. Bij Theodor en zijn eerste vrouw Maria Backes (overleden in 1791) hield dat ook in dat de naam van een kind vrijkwam om aan een volgend kind te kunnen geven zodra het eerste kind met die naam was overleden. Een en dezelfde naam kon op deze manier diverse keren binnen een en hetzelfde gezin worden gegeven.

Driemaal Gerardus

Bij Theodor en Maria gebeurde dat met de naam Gerardus; sowieso al een naam die ik tot aan mijn opa Wiel (1934-1990) − Willem Johannes Anna Gerardus − in iedere generatie binnen mijn stamboom ben tegengekomen. In het negen jaar durende huwelijk van Theodor en Maria werden vier zonen en één dochter geboren. Een levenloos geboren zoon in 1785 kreeg geen naam mee; de andere drie heetten – u raadt het al – Gerardus, voor het gemak door mij van een volgnummer voorzien:

– Gerardus I (26 augustus 1782 − 29 augustus 1782)
– Gerardus II (17 september 1783 − 15 januari 1789)
– Gerardus III (11 maart 1789 − 19 maart 1789)

Vooral bij het derde kind lijkt dit wrang: zijn ouders hebben net 5,5 jaar lang een ander kind Gerardus genoemd en gaan daar na diens overlijden in feite mee door. Bovendien was Maria ten tijde van de tweede Gerardus’ n al een halfjaar zwanger van de zoon die later als derde kind de naam Gerardus zou krijgen. Zo krijg je toch een beetje de indruk dat het overleden kind wordt ingeruild voor de nieuw geboren baby. Al zal dat toen vast niet zo gevoeld hebben.
Maria beviel tijdens haar huwelijk met Theodor ook nog van een dochter: Catharina. Van haar is alleen bekend dat zij op 9 september 1791 overleed. Zij werd hooguit elf jaar oud. Het overlijden van Maria in juni 1791 wijst er mogelijk op dat ook Catharina niet ouder werd dan enkele maanden. Van de vijf kinderen van Theodor en Maria heeft zodoende geen enkel de volwassen leeftijd bereikt; de oudste geverifieerde leeftijd was nog geen zes.

Andermaal een Gerardus

Na de dood van Maria trouwde Theodor met Hendrina Verhaegh. Met haar kreeg hij drie kinderen. Opvallend genoeg kreeg de eerste zoon de naam Martinus (1792-1809); beiden durfden het blijkbaar niet aan direct hun eerste kind Gerardus te noemen. Die naam werd wel bij de tweede geboorte vergeven.
Dat die laatste wel de volwassen leeftijd haalde, betekende in ieder geval dat dat de naam van Theodors vader Gerard Rutten (1726-1793) voortleefde. Bovendien had ik hier, zonder mijn oudgrootvader Gerardus (1794-1847), nu niet gezeten.

Geboorteakte Gerardus Rutten, 1794-1847

De geboorteakte vermeldt: “21ste [maart]. Geboren en gedoopt is Gerardus, wettige zoon van Theodor Rutten en Hendrina Verhaegh. Getuigen Peter Verhaegh en Anna Maria de Trouz in de plaats van Leonore Claessens.” Vertaling door ondergetekende.

Na Gerardus IV en Martinus beviel Hendrina van dochter Maria Magdalena in 1797. Zij zou het laatste kind zijn van Theodor en Hendrina. Na de dood van de laatste kreeg Theodor met zijn derde vrouw in 1806 nog een zoon. Dat de huwelijken van Theodor Rutten elkaar in een rap tempo opvolgden, beschrijf ik in de blogpost over de huwelijkscarrousel van mijn oudovergrootvader.

Het als favicon gebruikte familiewapen: legitiem of niet?

Zowel aan het begin van deze post als in de hoedanigheid van ‘favicon’ (de afbeelding op het tabblad) is het wapen van de familie Rutten te zien. Of beter gezegd: het familiewapen van een familie Rutten. Er zijn immers veschillende families die zich de achternaam Rutten hebben aangemeten en ook alle een eigen wapen lijken te voeren. Het wapen dat ik op deze blog gebruik, heb ik bovenaan deze post geplaatst.
Hoofdregel binnen de familieheraldiek is dat je slechts een wapen voert als je 1) aantoonbaar tot specifiek die familie met die achternaam afstamt en 2) die familie indertijd het wapen rechtmatig is gaan voeren. U zult begrijpen dat, met het oog op de verschillende families Rutten die verschillende wapens voeren (of zelfs geen), het geen gemakkelijke, zo niet onmogelijke opgave is om dat aan te tonen.
Hoe zit het nu juridisch? Het Genealogisch Genootschap constateerde al in een vergadering in 1894 dat personen van niet-adellijke komaf een familiewapen mochten voeren. Ook tegenwoordig legt het Wetboek van Strafrecht aan hen geen strobreed in de weg; artikel 435 van dit boek verbiedt slechts het onrechtmatig voeren van adellijke titels en ordetekens. Een familiewapen valt daarbuiten.
Dat betekent dat wie in zijn onderzoek naar zijn familiegeschiedenis nooit op een familiewapen is gestuit of een redelijk vermoeden heeft dat het gevonden wapen niet tot zijn familie behoort, een nieuw wapen kan (laten) ontwerpen en dat mag voeren. Omdat de overheid wat familiewapens betreft slechts die beschermt die tot adellijke families behoren, is het alternatief voor de gewone sterveling gelegen in de registratie van het wapen bij het Benelux-bureau voor de intellectuele eigendom. Genealogisch gezien is dat alles uiteraard minder interessant.

Wie enkele minuten Google afstruint naar wapens die aan de familie Rutten worden toegeschreven, vindt er al snel een aantal, waaronder dus ook het exemplaar dat op deze blog gebruikt wordt. Ik heb wat voorbeelden verzameld en opgenomen in deze post.

Familiewapen Rutten

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

bron: HDB/CBG

Het gebruik van uitgerekend dit wapen met alle “keuze” die er is, lijkt dan wat voorbarig, ware het niet dat het eerste wapen handgeschilderd op canvas is terug te vinden op de zolder van mijn ouders. Naar verluidt is het gemaakt door een kennis van een ver familielid, dat enkele decennia geleden een helaas onvindbaar onderzoek deed naar onze familie. Dat biedt natuurlijk niet het waterdichte bewijs dat het wapen tot mijn familielijn behoort. Het is niet uitgesloten dat het familielid zich op een heraldisch boekwerk heeft gebaseerd en niet op onze genealogische geschiedenis.

bron: rutten.nu

Overigens is de canvasversie niet met een purper (paarse) tint, maar met lazuur (blauw) ingekleurd. Dat kan natuurlijk te wijten zijn aan een beperkte hoeveelheid beschikbare verf, maar het kan ook liggen aan een afwijkend kleurgebruik van het wapen binnen een en dezelfde familie, om verschillende leden en/of takken te onderscheiden.

Blazoenering
Maar wat valt er nu te zien op het wapen? Wat direct in het oog springt, is de op het schildhoofd geplaatste wielploeg, volgens Van Dale een “ploeg met aan een raam bevestigde wielassen”. De uitvinding ervan aan het einde van de Middeleeuwen betekende een enorme vooruitgang voor de landbouw; boeren konden voortaan een stuk efficiënter te werk gaan. Met wat goede wil zou je hierin een aanwijzing kunnen zien dat dit wapen aan onze familietak toebehoort, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het boerenbestaan in Noord-Limburg niet beperkt was tot mijn familie, ook al hebben we het vak zeker 300 jaar lang in dat gebied uitgeoefend.
Bovenop het schild is een gouden helm geplaatst, waarbij de openingen en de aan de voorzijde zichtbare achterkant oranje zijn ingekleurd. De helm en het schild zijn omgeven door een zogeheten dekkleed: een stuk in zwierige krullen gesneden stof dat ridders aan de helm vastmaakten om zichzelf tegen de zon te beschermen. De kleuren komen overeen met die van het schild: afwisselend purper en zilver.
Het helmteken lijkt te bestaan uit twee rechtopstaande zwaarden, maar de precieze betekenis hiervan is mij tot dusver onduidelijk. Ten slotte is het zilverkleurige (witte) lint onder het wapen doorgaans bedoeld voor een motto, maar in dit wapen staat er slechts de familienaam. Misschien was een motto dan toch interessanter geweest.

Ik hoop in een volgende blogpost een antwoord te kunnen geven op de vraag uit de titel van deze post. Dit verhaal bevatte de spaarzame aanwijzingen die ik tot nu toe ben tegenkomen.

© Robin Rutten – alle rechten voorbehouden

Ontwerp: Anders NorenBoven ↑